Subtitel: On segmentation and associative organization
Hanninen streeft naar een formele beschrijving (codering) van muzikale klank, gebaseerd op parameters (in een eigen indeling, meer gedetailleerd dan Erpf of Schmitz). Zij formuleert de kenmerken van muziek in termen van dimensies waarbij woorden voorbijkomen die in ook in de statistiek gebruikelijk zijn (ordinaal, lineair, interval, etc.).
Het lijkt alsof het bovenliggende doel is om muzikale klank zo te beschrijven dat een computer ermee uit de voeten kan.
Een intrigerend citaat: “The larger the interval, the greater the disjunction”.
Dit lijkt voorbij te gaan aan het fenomeen octaaf-equivalentie (Révész); een octaaf kan een (grote) “sprong” zijn maar tegelijkertijd de ervaring van “dezelfde toon” oproepen.
Iets dergelijks geldt voor harmonische verbanden. Als we het hebben over tonale verwantschap of tonale nabijheid, varieert de invulling daarvan per stijl. Een voorbeeld: de tritonus als relatie tussen toonsoorten is “ver weg” in functioneel tonale muziek; in Bartók’s muziek is de tritonusrelatie er een van nabijheid/uitwisselbaarheid (e.e.a. gerelateerd aan de assenkruisen van Bartók).
De waarde van dit boek lijkt te liggen in de systematische inventarisatie van kenmerken van muziek, die wellicht bruikbaar zijn voor, of in het verlengde liggen van, Music Information Retrieval (MIR).
Als het gaat om (muziek)psychologische aspecten, hoe muziek waargenomen en ervaren wordt (ook in fenomenologische zin) lijkt dit boek mij nogal ver af te staan van “de mens”. Waarom mensen zich bezig houden met muziek (actief of receptief), is vaak ten diepste verbonden met ervaringen van “schoonheid en troost”. Dit geldt natuurlijk niet voor iedereen en voor elke soort muziek, maar naar mijn mening vaak wel voor (kunst)muziek.
Opmerking
Naast “schoonheid en troost” kan muziek als “spel” natuurlijk ook een (grote) bron van voldoening zijn. Een voorbeeld: de “beheersing” van een instrument. Een andere bron van voldoening kan zijn het deel uitmaken van een muzikale groep; hetgeen kan gelden voor een violist, die in een strijkkwartet “speelt”. Zo zijn er meer voorbeelden te bedenken.